Darters en scheidsrechters

Ook in 2026 blijft Chris van Rijswijk (foto) ons vergasten op zijn eigenwijze kijk op de scheidsrechterij. Hier is zijn eerste column van het jaar.

Nu de voetballers een winterstop hebben, kunnen we ons als (assistent-)scheidsrechters goed voorbereiden op de tweede helft van het seizoen. In deze periode is ook een sport – die ik vroeger met veel plezier heb uitgeoefend – te zien op tv: het WK darts. En op die sport wil ik nu eens mijn kijk met jullie delen.

Sport

Er wordt vaak gezegd dat darten geen sport is, maar vermaak. Als je de geschiedenis moet geloven, was dat echter ook zo met voetbal. Eigenlijk is elke sport begonnen zonder regels, die er gaandeweg kwamen en die door een scheidsrechter moeten worden nageleefd. Zelfs bij darten zijn scheidsrechters nodig: ze roepen de scores om en letten op of je wel op de correcte manier de pijlen gooit – dit mag nl. niet onderhands – en deelnemers moeten via de juiste kant weglopen bij het bord nadat ze de pijlen eruit hebben gehaald.

Dartspeler

De moderne dartspeler moet natuurlijk de pijlen goed in de triple-20 kunnen gooien. Maar daarnaast moeten ze goed kunnen hoofdrekenen en snel kunnen schakelen naar een ander getal als een pijl niet naar wens valt. Dat kan je alleen als je veel trainingsuren maakt met gooien.

Mentale vlak

Maar het belangrijkste is de mentale druk op deze spelers. Die druk wordt ook veroorzaakt door het grote podium waar ze (letterlijk en figuurlijk) op staan en door het publiek dat in groten getale komt kijken. Gooien ze een keer niet goed en de tegenstander wel, dan gaat het publiek achter hun favoriete darter staan en probeert het de andere darter nog slechter te laten gooien door dingen te roepen en zingen.

Eigenlijk verschilt dat niet zo veel met ons (assistent-)scheidsrechters. Neem je een beslissing die tegen hun team uitvalt, dan word je ook op een manier beledigd door de supporters. Als scheidsrechter heb je daar iets minder last van dan als assistent die langs de lijn loopt en dichter bij het publiek staat. Daarmee kom ik op de grootste overeenkomst tussen darters en (assistent-)scheidsrechters: beiden moeten heel goed met de druk kunnen omgaan en met de weerstand die het meebrengt.

Overeenkomsten

Zelf heb ik dus ook wel eens een pijltje gegooid, en de ene keer had ik geen last van wat de tegenstander en omgeving deed om mij uit mijn spel te halen en de andere keer wel. Als assistent heb ik wedstrijden gehad waarbij mijn mentale weerbaarheid zeker werd getest door het publiek of vanuit de dug-outs. De nieuwe generatie (assistent-)scheidsrechters pakt snel een kaart als ze (te) veel weerstand krijgt, om het de kop in te drukken. Een dartspeler kan dat niet.

Er zijn dus best wel overeenkomsten tussen darters en (assistent-)scheidsrechters:

  • we moeten veel trainen om de conditie bij te houden
  • we moeten ons kunnen afsluiten van al dat commentaar van spelers en publiek.

Dat is meteen een van de redenen waarom veel (assistent-)scheidsrechters stoppen: de weerstand van spelers, publiek en trainers. Verdraaid jammer. En in mijn ogen kan de KNVB daar best wel wat aan doen. Besteed een van de cursusavonden aan mentale weerbaarheid, bijvoorbeeld.

Toch blijft het leiden van wedstrijden, als scheidsrechter of als assistent als hobby een schot in de roos. Net als darten. Op naar de tweede helft van het seizoen!

Geplaatst in Column.